emmer re aoen overioopen.Het concertiPablo Casals was de solist van desen avond en tegenover de ontzagwekkende dlepte van zijn spel, vervagen alle verdere indxuk-ken. Hij speelde het concert van den 18e-eeuwschen Weenschen componist G. M. Monn (met begeleiding van strijkorkest en cembalo) en het concert van Schumann. Geen dezer beide werken is buitengewoon belangrijk. Doch Casals verleent hun denglanszijner eigen boeiende persoonlij kheid. Het merkwaardige daarbij is, dat hij gecnszins aan de werken tomt. Integendeel; men kan zich geen zui-verder aanpassing aan den stijl denken. Doch zijn heeie spel heeft dat ondefinieerbaar diepe. dat den genialen herscheppenden kun-stenaar, die de eigenschappen van den repro-ducent paart aan die van den schepper, on-derscheldt van deri alleen reproduceerenden.En het was of hij het orkest electriseerde.Na een matte uitvoerlng van Mozart*s Jupi-ter-symphonie, werd de orkestklank althans ineens anders, veel doorleefder, toen Casals l^et ensemble voorging.We hebben in het Concertgebouw zelden zulke ovaties meegemaakt als dezen grooten Spanjaard te beurt vielen. Het was jammer, dat de aandacht daarna opgeCischt werd voor Tsjaikowsky’s parade-ouverture Romeo en Julia, die Mengelberg enkele weken geleden ook reeds op een abonnements- en volkseon-cert dirigeerde. P. F. S.